(juli 2010)
Ik denk dat ik een linkse hobby ben. Ik ben wat aan de kritische kant en doe allemaal dingen waar geen droog brood mee te verdienen valt. Ik krijg alleen geen subsidie. Ik hang een beetje rond aan de zelfkant van de samenleving en doe vooral dingen die ik wel redelijk belangrijk vind (kan variëren van liedjes schrijven en daarmee op toer gaan tot filosofie lezen en daarover contempleren met een jointje of van vegetarische feestmaaltijden opeten met vrienden en van mijn skatebord afvallen tot kritische stukken schrijven of links correcte socialistigheden uitvoeren). Ik doe vooral ook veel dingen die de samenleving wel van belang vindt niet (zoals vlees eten, auto's kopen, naar fastfood eetgelegenheden gaan, werken voor grote enge bedrijven, me een hartaanval stressen voor een onzinnige carriëre die me de rest van mijn leven zal dwingen tot het dragen van een pak, televisie kijken of dingen kopen die ik onnodig en zinloos vind). Maar ik ben ook maar gewoon een mens.
Ik ben ook enthousiast opgesprongen van de bank en heb al doende mijn bier tegen het plafond gegooid toen onze nationale tuinkabouter Wesley het tweede doelpunt tegen de Brazilianen het net in kopte. Het was een gave wedstrijd en de vaderlandse arbeidsproductiviteit moet deze betreffende vrijdagmiddag wel een his-to-risch dieptepunt bereikt hebben (behalve voor het horecapersoneel dat bier moest tappen voor een uitzinnige oranje menigte). Mensen die een lange maand geleden in een bijna weer vergeten verkiezingstijd elkaar vanwege hun politieke voorkeuren niet konden luchten of zien, hossen nu gebroederlijk rond door verschillende Nederlandse stadscentra. Sport verbroedert. Wat een feest, wat een feest.
Het enige stukje Nederland waar de stemming minder feestelijk geweest moet zijn heet 'Binnenhof' en ligt midden in Den Haag. Op dat Binnenhof, daar gebeurt ook nog wel eens wat. Koortsachtig probeerden Mark, Job, Femke, Maxime en al die andere Haagse vrienden onder bezielende leiding van Udo en Herman tot een werkbaar kabinet te komen. Naast een WK dat gewonnen moest worden, moet er ook nog een land bestuurd worden. En dat is lastig. Geert staat inmiddels alweer mokkend en vingerwijzend in de hoek te schreeuwen dat hij ook altijd buitengesloten wordt door de gemene jongens en meisjes in Den Haag. Maar aangezien ook Paars-Plus inmiddels de macht gegrepen lijkt te hebben in het land der fabelen ergens staat de deur voor een rechtse nachtmerrie weer op een kier.
Ondertussen heeft de demissionaire ploeg vriendjes en vriendinnetjes van Jan-Peter nog wat zaken zoals bijvoorbeeld een kraakverbod door de Eerste Kamer weten te duwen. Ondanks de luidkeelse protesten van alle grote steden tegen deze ideologisch gefundeerde onzin. Terwijl het kabinet in eerste in instantie niet eens wilde terugkomen van zomerreces om een spoeddebat te voeren over het wegsaneren van duizenden banen door Amerikaanse roofkapitalisten bij Organon in Oss. Meneer Hirsch Ballinn maakte ondertussen werk van het uit het land werken van een stel ongwenste Somaliërs omdat de veiligheidssituatie in Mogadishu zich weer gestabiliseerd zou hebben. Mogadishu, u weet wel. Waar islamitische milities met kapmessen en dergelijk speelgoed oorlogje spelen met de boten kapende piraten die wij als westerlingen ook maar zozo vinden. Piraten of moslims? Politiek dilemma, dat dan weer wel. Maar veilig voor terugkeer? Naar de waanzin die Afrika heet?
Afrika, O Afrika. U weet wel. Daar waar commerciële en vooral heel machtige instellingen als de FIFA macht hebben over de wetgevende instituties van een land. Want dan mogen ze een heel belangrijk toernooi organiseren. Het volk wordt op zijn wenken bedient in zijn niet te stoppen honger naar brood en spelen. Maar welk brood en welke spelen voor welk volk precies? Ik hou van een goede pot voetbal. Maar dit gaat me mijlen en mijlen te ver. Hoeveel Zuid-Afrikaanse huisjes hadden er precies gebouwd kunnen worden in plaats van die grote en dure stadions? En hoe fucking DUUR waren de kaartjes voor de finale ook alweer? Zouden er heel veel townshipbewoners daar in Zuid-Afrika hebben kunnen genieten van onze jongens in actie? Doe eens eens een gooi?
Ik ben misschien wat sceptisch over dingen denk ik. Ik ben echt een linkse hobby. Geef mij eens een pot subsidie ofzo! Werk schijn ik toch niet te kunnen vinden in deze overflexibele kenniseconomie.
donderdag 29 juli 2010
donderdag 22 juli 2010
Panopticonisch roken.
(april 2010)
De onderkant van de samenleving. Het uitschot. Ik hou ervan. Mensen met goede banen en grote huizen en twee auto's en een paar lief spelende kinderen in een vinexwijk zijn vaak vooral heel erg saai. Op familiefeestjes wordt met een lekker glaasje fris erbij gekletst over verzekeringspremies en worden er wederwaardigheden uitgewisseld over automaatkoffie. Dat zijn geen dingen die mij per sé interesseren. In het geheel niet zelfs. Maar toch word ik er af en toe mee geconfronteerd. Dan zit ik met een kopje koffie met een tegen het psychotische aanleunende glimlach op mijn gezicht te knikken en mensen gelijk te geven in de stille hoop dat ik deze beklemmende atmosfeer van stabiliteit en stagnatie heel erg snel weer mag verlaten. Ik word om de een of andere reden altijd heel erg nerveus van stabiliteit. Waarom vraag je je af.
Nou. Afgezien van het ideologische gehypothetiseer dat ik uiteen kan zetten over het feit dat de kantoorslaven op familiefeestjes die ook vast ook ooit jong en ergens enthousiast over zijn geweest zich op een beschamende wijze hebben laten degraderen tot een bestaan dat niet verder reikt dan alleen het leven van een consument die een gebrande realiteit consumeert van swooshes en golden arches, hebben deze volgens de samenleving alleszins nette en geslaagde burgers meestal gewoon verdomde weinig te vertellen.
Voor veel kantoorbewoners speelt het leven zich jaar na jaar af in zich eeuwig herhalende cyclus van (in maar moeilijk af te wisselen volgorde): wekker - koffie - file - kantoorkoffie - computerschermpje - cup-a-soup-om-vier - file terug - vies eten - computerschermpje (Mozilla updates installen en Twitter uitproberen) - slapen-zonder-seks. Zaterdag wel seks en auto wassen en op zondag eerdergenoemd familiefeestje. Dat wordt heel erg snel saai. Ook voor mij want ik moet het op die betreffende zondag allemaal verplicht aanhoren.
Unplug! In hemelsnaam. Het huis uit! Of minstens de televisie uit. Internetkabeltje uittrekken. Boek erbij pakken of theezetten en nou eindelijk weer eens een gesprek over de een of andere koe of een nader te definiëren kalf hebben met iemand waar je om geeft. Boek lezen en praten. Of muziek luisteren ofzo. Dat getuigt van veel meer menselijkheid dan avond na avond bewegende beeldjes op je laten afvuren op een snelheid die consistente gedachtengangen nagenoeg onmogelijk maakt. Daarbij leer je uit een boek of een goed gesprek misschien nog wel eens wat. Ik lees nu Fahrenheit 451 en daarin wordt de metafoor duidelijk neergeknald door de 'televisiewanden' die de vrouw van de in toenemende mate wanhopig wordende hoofdpersoon, door middel van interactiviteit het idee geven dat de televisie een echte afspiegeling van de realiteit is. Daarbij. Een boek over het verbieden en verbranden van boeken. De paradox is natuurlijk ME-HA-COOL!
Ik ga liever met een sigaretje en misschien een blikje bier in het park op een bankje zitten en wacht daar al rokend en drinkend op de eerste onnozele hals die tegen me aan komt lullen. Hele levensverhalen heb ik mogen aanhoren. Van mensen die alles verloren en soms ook het meteen weer het leven gewonnen hebben. Mensen die de meest debiele handeltjes opzetten om geld binnen slepen 'zondjer dat de overheid daar me zijn vadsige klauwe aankompt'. Zwervers die zich in een vorig leven helemaal kapotgewerkt hebben en toen ijskoud op straat zijn geflikkerd en daar nu ontzettend dankbaar voor zijn omdat ze in alle vrijheid en zonder gedoe in het zonnetje van de dag kunnen genieten. De straatkrantman waar ik sinds ik hier woon elke dag 'hoi! alles goed?' tegen brul en die me altijd wist te betoveren met zijn geheimzinnige glimlach. Blijkt geen zin in het Nederlands te kunnen formuleren. Vandaar de vreemde glimlach. De Irakese vluchteling die zijn hart uitstort om vier uur 's nachts op een bankje op Utrecht Centraal. Na een dik half jaar in Nederland was ik de eerste die de moeite nam even met hem te praten.
Het zijn dan niet altijd echt succesverhalen. Meestal niet zelfs. Soms breken ze je hart. Soms lach je je dood en soms zucht je diep en verlies je hoofdschuddend alle hoop in de poel van verderf die we mensheid noemen. Maar het zijn tenminste verhalen. Verteld door mensen die iets hebben geprobeerd in hun leven. Of iets hebben meegemaakt. En dat is minstens honderd keer zo interessant als iemand moeten aanhoren die ieder jaar niet veel meer te melden heeft dan dat de tuin winterklaar gemaakt is en de koffie op kantoor nog steeds niet te hachelen. Als je niet verder komt dan dat vind ik je eigenlijk maar een beetje zielig. Ook al vind de samenleving dat je een succesvol leven hebt weten op te bouwen. Ik vind dat nou eenmaal niet.
De onderkant van de samenleving. Het uitschot. Ik hou ervan. Mensen met goede banen en grote huizen en twee auto's en een paar lief spelende kinderen in een vinexwijk zijn vaak vooral heel erg saai. Op familiefeestjes wordt met een lekker glaasje fris erbij gekletst over verzekeringspremies en worden er wederwaardigheden uitgewisseld over automaatkoffie. Dat zijn geen dingen die mij per sé interesseren. In het geheel niet zelfs. Maar toch word ik er af en toe mee geconfronteerd. Dan zit ik met een kopje koffie met een tegen het psychotische aanleunende glimlach op mijn gezicht te knikken en mensen gelijk te geven in de stille hoop dat ik deze beklemmende atmosfeer van stabiliteit en stagnatie heel erg snel weer mag verlaten. Ik word om de een of andere reden altijd heel erg nerveus van stabiliteit. Waarom vraag je je af.
Nou. Afgezien van het ideologische gehypothetiseer dat ik uiteen kan zetten over het feit dat de kantoorslaven op familiefeestjes die ook vast ook ooit jong en ergens enthousiast over zijn geweest zich op een beschamende wijze hebben laten degraderen tot een bestaan dat niet verder reikt dan alleen het leven van een consument die een gebrande realiteit consumeert van swooshes en golden arches, hebben deze volgens de samenleving alleszins nette en geslaagde burgers meestal gewoon verdomde weinig te vertellen.
Voor veel kantoorbewoners speelt het leven zich jaar na jaar af in zich eeuwig herhalende cyclus van (in maar moeilijk af te wisselen volgorde): wekker - koffie - file - kantoorkoffie - computerschermpje - cup-a-soup-om-vier - file terug - vies eten - computerschermpje (Mozilla updates installen en Twitter uitproberen) - slapen-zonder-seks. Zaterdag wel seks en auto wassen en op zondag eerdergenoemd familiefeestje. Dat wordt heel erg snel saai. Ook voor mij want ik moet het op die betreffende zondag allemaal verplicht aanhoren.
Unplug! In hemelsnaam. Het huis uit! Of minstens de televisie uit. Internetkabeltje uittrekken. Boek erbij pakken of theezetten en nou eindelijk weer eens een gesprek over de een of andere koe of een nader te definiëren kalf hebben met iemand waar je om geeft. Boek lezen en praten. Of muziek luisteren ofzo. Dat getuigt van veel meer menselijkheid dan avond na avond bewegende beeldjes op je laten afvuren op een snelheid die consistente gedachtengangen nagenoeg onmogelijk maakt. Daarbij leer je uit een boek of een goed gesprek misschien nog wel eens wat. Ik lees nu Fahrenheit 451 en daarin wordt de metafoor duidelijk neergeknald door de 'televisiewanden' die de vrouw van de in toenemende mate wanhopig wordende hoofdpersoon, door middel van interactiviteit het idee geven dat de televisie een echte afspiegeling van de realiteit is. Daarbij. Een boek over het verbieden en verbranden van boeken. De paradox is natuurlijk ME-HA-COOL!
Ik ga liever met een sigaretje en misschien een blikje bier in het park op een bankje zitten en wacht daar al rokend en drinkend op de eerste onnozele hals die tegen me aan komt lullen. Hele levensverhalen heb ik mogen aanhoren. Van mensen die alles verloren en soms ook het meteen weer het leven gewonnen hebben. Mensen die de meest debiele handeltjes opzetten om geld binnen slepen 'zondjer dat de overheid daar me zijn vadsige klauwe aankompt'. Zwervers die zich in een vorig leven helemaal kapotgewerkt hebben en toen ijskoud op straat zijn geflikkerd en daar nu ontzettend dankbaar voor zijn omdat ze in alle vrijheid en zonder gedoe in het zonnetje van de dag kunnen genieten. De straatkrantman waar ik sinds ik hier woon elke dag 'hoi! alles goed?' tegen brul en die me altijd wist te betoveren met zijn geheimzinnige glimlach. Blijkt geen zin in het Nederlands te kunnen formuleren. Vandaar de vreemde glimlach. De Irakese vluchteling die zijn hart uitstort om vier uur 's nachts op een bankje op Utrecht Centraal. Na een dik half jaar in Nederland was ik de eerste die de moeite nam even met hem te praten.
Het zijn dan niet altijd echt succesverhalen. Meestal niet zelfs. Soms breken ze je hart. Soms lach je je dood en soms zucht je diep en verlies je hoofdschuddend alle hoop in de poel van verderf die we mensheid noemen. Maar het zijn tenminste verhalen. Verteld door mensen die iets hebben geprobeerd in hun leven. Of iets hebben meegemaakt. En dat is minstens honderd keer zo interessant als iemand moeten aanhoren die ieder jaar niet veel meer te melden heeft dan dat de tuin winterklaar gemaakt is en de koffie op kantoor nog steeds niet te hachelen. Als je niet verder komt dan dat vind ik je eigenlijk maar een beetje zielig. Ook al vind de samenleving dat je een succesvol leven hebt weten op te bouwen. Ik vind dat nou eenmaal niet.
vrijdag 9 juli 2010
Obsessie. Obsessie. Obsessie. Obsessie. Obsessie. Obsessie. Obsessie.... BLIIIEEEEEEEEEEEEEP
(maart 2010)
'Het is niet per sé zo dat ik onverwachte vrije dagen vervelend vind ofzo', denk ik bij mezelf als ik op een mooie vrijdagmiddag de voorzichtige lentezon in dartel, 'maar mijn bankrekening begint uit de verte wel alweer hongerig naar me te brullen.' Ik heb net gewerkt. Of ja. Eigenlijk niet. Ik hàd moeten werken maar mijn laptop besloot in stil protest er mee te kappen. Daarmee het werk dat ik vandaag moest verrichten op het gemeentehuis in Utrecht ook direct onmogelijk makend. Zo zie je maar weer. Het machientje stopt ermee en de mens is per direct gediskwalificeerd tot overbodig prul. Misschien moeten we onszelf onderhand eens uitsterven.
Al huppelend terug naar de trein valt me weer eens iets op. Dat gebeurt vrij vaak. Dat me spontaan dingen opvallen. In dit geval staar ik gefascineerd naar het lint van auto's dat traag langs trekt. Ik rol een sigaretje en zetel mij op een muurtje langs de straat om het geheel eens rustig te aanschouwen. Ik heb immers alle tijd van de wereld want werken zit er niet meer in vandaag. In elke auto zit een nors kijkend individu omringd door drie lege plekken. Ongetwijfeld stuk voor stuk alle andere weggebruikers vervloekend in hun eigen kleine universumpjes. Soms worden die lege plekken ingenomen door vanuit mijn perspectief in volkomen stilte kabaal makende kinderen. Grappig.
Verder gehuppeld dan maar. Ik loop naar de kaartjesautomaat op Utrecht Centraal en tik op een hip touchscreen in waar ik heen moet voordat ik een elektronische betaling verricht met het stukje plastic dat zich ten alle tijden in mijn portemonnee dient te bevinden. Als ik zo begin te denken tijdens het doen van heel dagelijkse handelingen kan ik een aanval van introspectief filosofisch gecontempleer bijna fysiek dichterbij voelen komen om me in zijn zachte maar obsessieve armen te nemen. Ik loop langs een winkeltje en denk aan het meisje dat daar werkte waar ik ooit nog eens mee gezoend heb op zo'n zomeravond dat alles perfect lijkt onder een schitterende sterrendeken. Een dromerige glimlach breekt door op mijn gezicht. Aanval afgeslagen. Victorie!
Mezelf bij de rest van de nieuwe lepralijers rond de rookpaal voegend kijk ik maar weer een beetje rond. Mijn net afgeslagen contemplatieaanval schopt me frontaal in mijn gezicht als ik de treincoupé inloop en constateer dat IEDEREEN die zich binnen mijn blikveld bevindt met oordopjes in obsessief naar een laptop of een anderssoortig scherm zit te staren danwel als een waanzinnige aap op knopjes zit te rammen. Is dit echt? Ben ik net een film binnengelopen ofzo? Jessis.
Jean Baudrillard had verdomme gelijk. We hebben de realiteit vermoord. Met voorbedachte rade. Terwijl de mij omringende medemensen rondzweven in een hyperrealiteit van bits en schermpjes kijk ik wat rond en constateer dat menselijk contact hier niet gewenst is. Het blonde meisje tegenover me kijkt me geschokt aan als onze blikken elkaar kruisen. Alsof ik een droom heb verstoord. Is myspace echt echter dan de echte wereld ja? De jongen naast me staart nors en obsessief naar het schermpje van zijn IMac, alsof hij is weggeplukt uit een slechte SF film waarin cyborgs een uiterst dubieuze hoofdrol spelen en de filosofische grens tussen mens en machine wordt geëxploreerd. Nou nog een draadje om zijn ongetwijfeld doorgetolde brein in te pluggen in het web der simulacra en de machinedictatuur is helemaal compleet.
Als iemand die fervent aanhanger is van zinloos protest dat niemand opvalt doe ik mijn mp3-speler lekker niét in. Tadam! Maar goed ik ben natuurlijk wel muzikant en had me eigenlijk heel erg verheugd op het luisteren van de nieuwe Alkaline Trio plaat. Op deze manier voelt mijn stille protest zelfs alsof ik er heel hard voor moet vechten. Maar ik, koene strijder die ik ben, weet vol te houden in het heetst van de strijd! Gloeiend van victorie stap ik breed lachend de trein uit en wordt door de voltallige coupé nagestaard alsof ik volslagen debiel ben geworden. Frigging cyborgs. Behalve door een oude man die eng veel op Samuel L. Jackson lijkt. Hij kijkt me breed lachend aan en schijnt als enige andere persoon in deze overvolle stad te begrijpen dat ik net een spreekwoordelijke strijd op leven en dood heb moeten voeren. Of gewoon omdat ik de enige ben die rustig lachend over het perron slentert in plaats obsessief nors kijkend met de banaliteit van de massa meestresst. Niemand zal het ooit te weten komen. Ik geef de voorkeur aan de eerste interpretatie. Ik besef dat ik het slagveld in de strijd tegen de schermpjes en bliepjes weer heb verlaten en de woestijn der dagelijkse beslommeringen ben opgeslopen als ik zonder erbij na te denken mijn OV-kaart uit mijn binnenzak vis en me incheck voor de metro.
Een inval in Irak wordt opeens een stuk begrijpelijker als je de collectieve obsessie met staren naar eentjes en nulletjes in aanmerking neemt en bedenkt hoeveel energie er opgewekt moet worden om dat voor iedereen mogelijk te maken en houden. We zijn met zijn allen schuld aan deze onzin. Ik ook, want ook dit stukje is weggetikt op een heuse computer met een scherm waar ik ten tijde van het schrijven obsessief naar zat te staren. Ik at toen een broodje falafel met sla, dronk Dr. Pepper* en pijnigde mijn brein. Vlak erna ben ik opgestaan, heb mijn jas aangetrokken en ben met de trein naar Weesp gekacheld omdat zaterdagavond nou eenmaal bandpractice betekent. Dat zit na bijna acht jaar behoorlijk in mijn systeem ingebakken. Dan weten jullie dat ook.
* Nu vind ik endorsement deals en dergelijke onzin vervelende pogingen van het grote geld om mensen in al-dan-niet-meer-zo ondergrondse subculturen aan zich te binden en bepaal ik wel lekker zelf wanneer ik wat wil eten, drinken of aantrekken. Ik heb ook bizar weinig zin me te laten gebruiken als een levende reclamezuil voor het één of andere grote bedrijf dat zich waarschijnlijk bezighoudt met dingen waar ik eigenlijk faliekant op tegen ben. Maar gezien de obsessief grote hoeveelheden Dr. Pepper die ik de laatste tijd naar binnen hak begin ik zo'n deal toch wel als een serieuze optie te zien. Dr. Pepper drinken is natuurlijk ook simpelweg veel cooler en veel meer punk dan grote broer Coca Cola naar binnen gieten. Daarbij is het recept van Dr. Pepper ouder dan dat van cola. Ik heb het serieus nagezocht.
'Het is niet per sé zo dat ik onverwachte vrije dagen vervelend vind ofzo', denk ik bij mezelf als ik op een mooie vrijdagmiddag de voorzichtige lentezon in dartel, 'maar mijn bankrekening begint uit de verte wel alweer hongerig naar me te brullen.' Ik heb net gewerkt. Of ja. Eigenlijk niet. Ik hàd moeten werken maar mijn laptop besloot in stil protest er mee te kappen. Daarmee het werk dat ik vandaag moest verrichten op het gemeentehuis in Utrecht ook direct onmogelijk makend. Zo zie je maar weer. Het machientje stopt ermee en de mens is per direct gediskwalificeerd tot overbodig prul. Misschien moeten we onszelf onderhand eens uitsterven.
Al huppelend terug naar de trein valt me weer eens iets op. Dat gebeurt vrij vaak. Dat me spontaan dingen opvallen. In dit geval staar ik gefascineerd naar het lint van auto's dat traag langs trekt. Ik rol een sigaretje en zetel mij op een muurtje langs de straat om het geheel eens rustig te aanschouwen. Ik heb immers alle tijd van de wereld want werken zit er niet meer in vandaag. In elke auto zit een nors kijkend individu omringd door drie lege plekken. Ongetwijfeld stuk voor stuk alle andere weggebruikers vervloekend in hun eigen kleine universumpjes. Soms worden die lege plekken ingenomen door vanuit mijn perspectief in volkomen stilte kabaal makende kinderen. Grappig.
Verder gehuppeld dan maar. Ik loop naar de kaartjesautomaat op Utrecht Centraal en tik op een hip touchscreen in waar ik heen moet voordat ik een elektronische betaling verricht met het stukje plastic dat zich ten alle tijden in mijn portemonnee dient te bevinden. Als ik zo begin te denken tijdens het doen van heel dagelijkse handelingen kan ik een aanval van introspectief filosofisch gecontempleer bijna fysiek dichterbij voelen komen om me in zijn zachte maar obsessieve armen te nemen. Ik loop langs een winkeltje en denk aan het meisje dat daar werkte waar ik ooit nog eens mee gezoend heb op zo'n zomeravond dat alles perfect lijkt onder een schitterende sterrendeken. Een dromerige glimlach breekt door op mijn gezicht. Aanval afgeslagen. Victorie!
Mezelf bij de rest van de nieuwe lepralijers rond de rookpaal voegend kijk ik maar weer een beetje rond. Mijn net afgeslagen contemplatieaanval schopt me frontaal in mijn gezicht als ik de treincoupé inloop en constateer dat IEDEREEN die zich binnen mijn blikveld bevindt met oordopjes in obsessief naar een laptop of een anderssoortig scherm zit te staren danwel als een waanzinnige aap op knopjes zit te rammen. Is dit echt? Ben ik net een film binnengelopen ofzo? Jessis.
Jean Baudrillard had verdomme gelijk. We hebben de realiteit vermoord. Met voorbedachte rade. Terwijl de mij omringende medemensen rondzweven in een hyperrealiteit van bits en schermpjes kijk ik wat rond en constateer dat menselijk contact hier niet gewenst is. Het blonde meisje tegenover me kijkt me geschokt aan als onze blikken elkaar kruisen. Alsof ik een droom heb verstoord. Is myspace echt echter dan de echte wereld ja? De jongen naast me staart nors en obsessief naar het schermpje van zijn IMac, alsof hij is weggeplukt uit een slechte SF film waarin cyborgs een uiterst dubieuze hoofdrol spelen en de filosofische grens tussen mens en machine wordt geëxploreerd. Nou nog een draadje om zijn ongetwijfeld doorgetolde brein in te pluggen in het web der simulacra en de machinedictatuur is helemaal compleet.
Als iemand die fervent aanhanger is van zinloos protest dat niemand opvalt doe ik mijn mp3-speler lekker niét in. Tadam! Maar goed ik ben natuurlijk wel muzikant en had me eigenlijk heel erg verheugd op het luisteren van de nieuwe Alkaline Trio plaat. Op deze manier voelt mijn stille protest zelfs alsof ik er heel hard voor moet vechten. Maar ik, koene strijder die ik ben, weet vol te houden in het heetst van de strijd! Gloeiend van victorie stap ik breed lachend de trein uit en wordt door de voltallige coupé nagestaard alsof ik volslagen debiel ben geworden. Frigging cyborgs. Behalve door een oude man die eng veel op Samuel L. Jackson lijkt. Hij kijkt me breed lachend aan en schijnt als enige andere persoon in deze overvolle stad te begrijpen dat ik net een spreekwoordelijke strijd op leven en dood heb moeten voeren. Of gewoon omdat ik de enige ben die rustig lachend over het perron slentert in plaats obsessief nors kijkend met de banaliteit van de massa meestresst. Niemand zal het ooit te weten komen. Ik geef de voorkeur aan de eerste interpretatie. Ik besef dat ik het slagveld in de strijd tegen de schermpjes en bliepjes weer heb verlaten en de woestijn der dagelijkse beslommeringen ben opgeslopen als ik zonder erbij na te denken mijn OV-kaart uit mijn binnenzak vis en me incheck voor de metro.
Een inval in Irak wordt opeens een stuk begrijpelijker als je de collectieve obsessie met staren naar eentjes en nulletjes in aanmerking neemt en bedenkt hoeveel energie er opgewekt moet worden om dat voor iedereen mogelijk te maken en houden. We zijn met zijn allen schuld aan deze onzin. Ik ook, want ook dit stukje is weggetikt op een heuse computer met een scherm waar ik ten tijde van het schrijven obsessief naar zat te staren. Ik at toen een broodje falafel met sla, dronk Dr. Pepper* en pijnigde mijn brein. Vlak erna ben ik opgestaan, heb mijn jas aangetrokken en ben met de trein naar Weesp gekacheld omdat zaterdagavond nou eenmaal bandpractice betekent. Dat zit na bijna acht jaar behoorlijk in mijn systeem ingebakken. Dan weten jullie dat ook.
* Nu vind ik endorsement deals en dergelijke onzin vervelende pogingen van het grote geld om mensen in al-dan-niet-meer-zo ondergrondse subculturen aan zich te binden en bepaal ik wel lekker zelf wanneer ik wat wil eten, drinken of aantrekken. Ik heb ook bizar weinig zin me te laten gebruiken als een levende reclamezuil voor het één of andere grote bedrijf dat zich waarschijnlijk bezighoudt met dingen waar ik eigenlijk faliekant op tegen ben. Maar gezien de obsessief grote hoeveelheden Dr. Pepper die ik de laatste tijd naar binnen hak begin ik zo'n deal toch wel als een serieuze optie te zien. Dr. Pepper drinken is natuurlijk ook simpelweg veel cooler en veel meer punk dan grote broer Coca Cola naar binnen gieten. Daarbij is het recept van Dr. Pepper ouder dan dat van cola. Ik heb het serieus nagezocht.
Abonneren op:
Posts (Atom)